De afgelopen week heb ik een volle werkweek doorgebracht in Shanghai, een stad met 24 miljoen inwoners in het verste oosten van China (als je Taiwan niet meetelt, maar dat is weer een ander verhaal). Dit was mijn eerste bezoek aan Azië en ik bereidde me voor met een mengelmoes van opwinding en nervositeit. China leek altijd wel erg buitenlands en ik wist niet zeker hoe ik mij met mijn wel erg westerse uiterlijk en gewoonten zou kunnen aanpassen. Het doel van de week was het houden van een planningsworkshop, maar voor mij was het voornamelijk om een relatie in gang te zetten tussen mijn Ierse cliënt, zijn Chinese collegae en mijn Chinese collegae.
Voorbereiding
Ik had niet zoveel tijd me erg goed voor te bereiden, maar ik had een paar boekjes uitgezocht en Margreet had wat tips gevonden over het zakendoen. Er waren drie thema’s die naar voren kwamen:
- Hoewel de Chinezen erg trots zijn op hun land en geschiedenis, zijn ze ook buitengewoon gefascineerd door westerse mensen en hun gebruiken. Ze noemen hun land zelf de ‘centraal land’ of Zhōngguó (中国) – de naam China werd gegeven door de Persen en wordt in China alleen gebruikt als ze Engels spreken or schrijven. Ik las dat de Chinezen het erg leuk vinden als je je verdiept in hun taal, dat ze je de hemel in prijzen als je ook maar één letter goed hebt, en dat je daar dan bescheiden op moet reageren. Dat bleek inderdaad letterlijk zo te zijn.
- Gezichtsverlies is iets wat kosten wat kost vermeden moet worden – zowel het veroorzaken van gezichtsverlies voor iemand anders als het veroorzaken dat je zelf gezicht verliest. Zo wilde ik mijn kopje koffie meenemen van het restaurant naar mijn hotelkamer, en dat wilden ze liever niet, bleek – maar dat konden ze natuurlijk niet zeggen, dus toen was het goed als ik het kopje maar weer terugbracht.
- Netwerken zijn belangrijk, en je moet zorgen dat als je iemand introduceert in zaken de relaties allemaal kloppen. Toen ik dat las, begreep ik dat dat de reden van mijn trip was – mijn Chinese collega’s hadden mij verzocht erbij te zijn, en dat was dus om de verbindingen te laten kloppen. Toen ik mijzelf introduceerde in de workshop heb ik dan ook uitgebreid alle relaties uitgelegd, met al het werk dat ik samen met mijn Ierse cliënt samen had gedaan, en dat ik daar as om mijn Chinese collega’s te introduceren. Vooral met de verkoop-gerichte cliënten leek dat erg goed te werken.
De reis
Het is een heel eind vliegen. Het tijdsverschil tussen California en Shanghai is net zoveel als tussen California en Nederland, maar dan natuurlijk andersom. En het is wat verder. De vlucht vanaf Los Angeles was ongeveer 13 uur met wind tegen. De airline was China Eastern, een maatschappij met een vrij slechte reputatie bij de Amerikanen vanwege de kwaliteit van het eten en de service. Maar wat tijd betreft kwam het mooi uit: 1 uur ‘s nachts vertrek uit Los Angeles, 6 uur ‘s morgens aankomst in Shanghai, 13 uur om een film te kijken en te slapen, dus uiteindelijk kwam ik vrij uitgerust aan. Op het vliegveld betaalde ik veel te veel voor een hele nette taxi naar het hotel (dezelfde rit op de terugweg met Uber Black kostte een derde).
Het hotel was aan DoubleTree van Hilton en was erg chique, veel netter dan de DoubleTree hotels in de VS: grote kamers, mooie tuinen, restaurants. Ik had grote moeilijkheden me aan het internet aan te sluiten. Ik had de Deloitte helpdesk, de helpdesk van het hotel en engineering van het hotel aan het werk. Geduldig werkte ik me door de gebruikelijke trouble shooting stapjes heen, terwijl ik wel verwachtte dat er iets aan hun netwerk ontbrak. Dat bleek uiteindelijk zo te zijn, en na 2 uur (en waarschijnlijk $200 in telefoonkosten) was ik uiteindelijk online. Het voordeel was dat ik vanaf dat moment de telefoon niet meer nodig had, en alle gesprekken met VOIP kon doen. Wat ik natuurlijk niet kon doen was proberen stappen over te slaan, of te vragen of iemand anders er naar kon kijken – dat zou gezichtsverlies betekenen, en dat is niet goed natuurlijk.

Uitzicht vanuit kamer 2755 in de Shanghai DoubleTree. Rechts boven de Shanhai Tower, het op één na hoogste gebouw van de wereld
De mensen
De interactie die ik had met chinezen was natuurlijk beperkt. Ik werkte samen met mensen in Teleflex en collega’s van Deloitte. Ik kwam mensen tegen in het (Amerikaanse) hotel en in de restaurants. En dan natuurlijk waren er de mensen op straat die ik tegenkwam.
Ik vond de interacties over het algemeen vrij gemakkelijk. Ik was bank dat ik overal vreemd uit zou steken en dat iedereen me met een mengelmoes van argwaan en belangstelling zou ontmoeten, maar zo voelde het over het algemeen niet. Er is een Delta reclame video met een westerse man die op reis is naar China, en die op een gegeven moment wat ongemakkelijk achterin een overvolle lift staat, waar hij met kop en schouder uitsteekt boven de anderen. Die situatie heb ik ook meerdere malen meegemaakt. Er wordt hard gewerkt om de lift helemaal vol te krijgen, en ik heb meer dan eens achterin een volle lift gestaan, waar ik dan als eerste weer uit moest.
Ik vond de chinezen die ik ontmoette verder vrij gemakkelijk in de omgang. Ze waren behoorlijk op het westen gericht en werkte hard hun eigen praktijken te integreren met wat er in andere plaatsen binnen het bedrijf gebeurde. Sommige waren erg goed in het Engels, anderen waren blij dat mijn collega’s af en toe konden omschakelen naar Mandarijn, en weer terug om uit te leggen aan ons buitenlanders wat er van belang besproken was. Ik vond ook dat er weinig vooroordelen leken te zijn, en voelde me nooit bekeken, ook niet toen ik in m’n eentje door de stad banjerde, en mezelf in meer authentieke wijken bevond.
De taal
Ik heb wat dingen geleerd over de grondbeginselen van de Chinese taal, maar niet zoveel van de taal zelfs. Zelfs iets simpels als Ja en Nee is voor mij, in het chinees, bijna niet te onthouden (Shì en Méiyǒu). Ik probeerde wel af en toe wat letters te onthouden en uit te tekenen, en ik begon langzaam maar zeker wat van de letters te herkennen, bijvoorbeeld: 上 voor Shàng of ‘Boven, Over’, 海 voor hǎi of ‘zee’, 中国 voor Zhōngguó of ‘centraal land’ ofwel China.
Zoals velen wel weten is dat Chinees een tonale taal is. Mandarijn heeft vier tonen, een vlakke (de eerste), een opgaande, zoals bij ons een vraag (de tweede), een golf, die eerst omlaag, dan omhoog gaat (de derde) en tenslotte een neergaande. De taal wordt daarmee heel melodieus, maar kwa concept is dat voor ons dus erg moeilijk, omdat wij niet-semantisch dingen doen met toon, zoals het stellen van een vraag. Lettergrepen die hetzelfde lijken behalve voor de toon betekenen dus iets heel anders, en dat kan natuurlijk erg grappig of gênant zijn als je dat als buitenlander fout doet. Wat ik hoorde is dat Kantonees, een ander dialect met hetzelfde schrift, 9 tonen heeft. Over moeilijk gesproken.
Gelukkig hebben de chinezen die Mandarijn spreken voor ons westerlingen Pinyin uitgevonden. Dit is een standard methode om de Chinese tekens in iets voor ons uitspreekbaars op te schrijven (een ander, soortgelijk schrift schijnt te bestaan voor andere dialecten). Dat maakt het een stuk gemakkelijker en toegankelijker. Maar dan blijkt dat er geluiden in de taal zitten die wij niet met een letter kunnen omschrijven en ook niet zomaar uit kunnen spreken. Zo is het teken voor ‘man’ 人, Rén in Pinyin, maar net zo goed als de Chinezen onze R niet kunnen uitspreken is de uitspraak van dit woord voor mij in elk geval niet na te doen.
Wat fundamenteel anders is dan in Europese talen is dat woorden niet bestaan, anders dan aaneengesloten lettergrepen, die elk een eigen betekenis hebben. De opeenvolging van lettergrepen zou op een of andere wijze een verbinding moeten hebben met het meer complexe woord. Zo werd mij op weg naar het kantoor een briefje in de hand geduwd, wat blijkbaar een menukaart voor een lunch restaurant was. Behalve de getallen kon ik daar dus niets van lezen, en waarom mij dat in de hand gedrukt werd is me nog een raadsel. Maar vol goede moed ging ik op zoek naar tekens die ik had gezien. Ik begon met 沪, wat overall op nummerborden staat, en wat Shanghai betekent – verwarrend. Toen zag ik een letter die ik herkende: 木 (Mù). Leon, mijn Chinese collega legt het uit: “It means ‘wood’, and the letter next to it, 耳, looks a little like an ear, so that is Ear, so 木耳 is wood ear, so that is some kind of mushroom.” O-Kaay…
De Censuur
De chinezen hebben het over ‘the great firewall of China’, als ze het over de invloed van de overheid op hun internet gebruik praten. Men dacht dat Google niet beschikbaar was (dat blijkt wel zo te zijn, hoewel sporadisch). De officiële overheidswebsites zijn een beetje eng in hoezeer de overheid invloed wil uitoefenen op wat mensen weten, hoewel ook wel interessant (http://english.sina.com). Overigens werd ik doodgegooid met advertenties voor VPNs die mensen in China de mogelijkheid geven via een proxy in de vrije wereld toch alle websites binnen te gaan. Maar daar probeert de overheid natuurlijk ook weer een stokje voor te steken.
De stad
Volgens ingewijden wonen er 24 Miljoen mensen in Shanghai. Voor zover ik het heb kunnen zien wonen die allemaal in hoogbouw – zeer hoge flatgebouwen. Ergens zag ik appartementen aangeboden vanaf 94 tot 300 m2. Maar dat is denk ik niet overal zo. Waar je naar woningen kijkt zie je altijd was uithangen, ofwel net buiten, of binnen in de woning. Naast het hotel (zie foto) werden nieuwe flats gebouwd. Daarin lijkt het dat eerst het geraamte wordt afgemaakt voordat aan de afwerking wordt begonnen. Dat heb ik anders gezien in andere steden.
Nieuwbouw is er overigens erg veel. Je ziet overal kranen, een duidelijk teken van sterke economische groei. Het is ook duidelijk dat er erg veel geld is. Veel mensen rijden in dure, nieuwe auto’s. Er is een groot probleem met verkeer – zoals in de meeste steden was het voor veel mensen moeilijk om op tijd op hun werk te komen. Luchtvervuiling lijkt ook een vrij groot probleem. Zoals je op de foto kunt zien was de lucht erg heiig en op websites kon je zien dat de lucht ongezond was. Ik had er zelf niet zoveel last van, maar toen ik buiten ging hardlopen was ik wel de enige die dat deed, en misschien was het achteraf wel niet zo gezond. Het was overigens lekker weer, tussen de 15 en 25 graden.

In tegenstelling tot wat ik had verwacht was het ruim en niet al te druk wat voetgangers betreft. Er zijn brede voetpaden die wel gebruikt worden, maar het is niet zo dat je het gevoel hebt bedolven toe worden onder de 24 miljoen.

Behalve heel veel auto’s zie je ook nog wat authentieke fietsen zoals deze, maar wat je vooral erg veel ziet zijn elektrische brommers/scooters. Ze lijken meer op een brommer, maar maken totaal geen geluid. Je ziet er echt honderden van, en je vraag je dan af waar ze opgeladen worden en hoe lang je er dan op kunt rijden. Ik denk dat ze ongeveer 40 km/uur gingen, dus helemaal zonder energie lukt dat niet al te lang.

Vlakbij het hotel was een groot recreatiepark waar Shanghai in de vrije tijd kennelijk naartoe gaat. Ik kon er niet in, want ze waren aan het sluiten, dus ik weet niet zeker wat er in het park te beleven was, maar deze foto was net buiten het park, waar kleine kinderen nog even vermaakt konden worden. Er waren overigens aardig wat straatverkopers, vooral die groente en fruit verkochten, zonder enige infrastructuur van wat ik kon zien.
Op donderdag had ik wat tijd, en maakte ik een wandeling van 17 kilometer door de stad. Hieronder wat foto’s van het straatbeeld en van het duur uitgebouwde centrum. Wat duidelijk is, is dat er op zekere plaatsen erg veel geld is en dat geld rolt hard.
Dat alles maakt het een interessante stad die het bekijken waard is.










